Kies de inspectie die bij uw situatie past
NEN 1010-keuring
NEN 1010-keuringen voor nieuwe of ingrijpend gewijzigde elektrotechnische installaties.
NEN 3140-keuring
NEN 3140 periodieke inspecties voor elektrotechnische installaties die al in gebruik zijn.
SCIOS Scope 8 PI-keuring
SCIOS Scope 8 PI-keuringen om elektrisch risico te beperken en aan veiligheidseisen te voldoen.
SCIOS Scope 10-keuring
SCIOS Scope 10 brandrisico-keuringen voor elektrotechnische installaties.
Welke keuring heb ik nodig?
Voor een nieuwe of ingrijpend gewijzigde installatie is dat een NEN 1010-keuring. Is de installatie al in gebruik, dan keurt u periodiek volgens NEN 3140, of als SCIOS Scope 8 PI-keuring wanneer uw verzekeraar om certificering vraagt. Eist de brandverzekering een brandrisico-inspectie, dan is dat Scope 10 volgens NTA 8220.
Wat is de situatie van uw installatie?
Vraagt uw verzekeraar om een keuring?
Wilt u het brandrisico van uw installatie laten beoordelen?
Beantwoord de vragen, dan ziet u hier welke keuring bij u past.
De vier keuringen naast elkaar
| Vraag | NEN 1010 | NEN 3140 | SCIOS Scope 8 PI | SCIOS Scope 10 |
|---|---|---|---|---|
| Voor welke installatie | Nieuw of ingrijpend gewijzigd | Al in gebruik | Al in gebruik | Al in gebruik, inclusief aangesloten materieel |
| Waar kijkt de keuring naar | Juiste en veilige aanleg volgens de norm | Veiligheid van mensen die met de installatie werken | Veiligheid van mensen, gekeurd door een SCIOS-gecertificeerd bedrijf | Kans op brand, onder meer met thermografie. Gekeurd door een SCIOS-gecertificeerd bedrijf |
| Norm of afspraak | NEN 1010 | NEN 3140 en NEN-EN 50110-1 | NEN 3140 | NTA 8220 |
| Wie vraagt erom | Besluit bouwwerken leefomgeving, opdrachtgever of verzekeraar | Arbobesluit, RI&E en verzekeraar | Verzekeraar, vaak als polisvoorwaarde | Brand- of opstalverzekeraar, als polisvoorwaarde |
| Hoe vaak | Eén keer, bij oplevering en na elke ingrijpende wijziging | Periodiek, interval op basis van risico | Periodiek, op basis van risico of polis | Periodiek, op basis van risico of polis |
| Meer informatie | NEN 1010-keuring | NEN 3140-keuring | Scope 8 PI-keuring | Scope 10-keuring |
Kunnen keuringen worden gecombineerd?
Ja. Scope 8 PI en Scope 10 betreffen dezelfde installatie en worden vaak in één bezoek uitgevoerd, wat tijd en overlast scheelt. Na een NEN 1010-keuring bij oplevering begint de periodieke cyclus van NEN 3140 of Scope 8 PI. Wij plannen de keuringen zo dat ze op elkaar aansluiten.
Bedrijfsvoering
De bedrijfsvoering van elektrische installaties is geregeld in de normen NEN-EN 50110-1 (= de algemene Europese bepalingen) en NEN 3140 (= de aanvullende Nederlandse bepalingen).
Onder bedrijfsvoering wordt verstaan alle handelingen, met inbegrip van de werkzaamheden, die noodzakelijk zijn om de elektrische installatie onder normale en onder abnormale omstandigheden te kunnen laten functioneren. Een periodieke inspectie van de elektrische installatie maakt deel uit van de bedrijfsvoering en heeft als doel om gebreken te ontdekken die een juiste werking kunnen belemmeren of een onveilige situatie kunnen veroorzaken. Het is dan ook niet verwonderlijk dat in een aantal gevallen wordt verwacht dat deze periodieke inspectie wordt uitgevoerd.
Wel of niet verplicht
In hoeverre een periodieke inspectie van de elektrische installatie conform NEN-EN 50110-1 / NEN 3140 kan worden verplicht is afhankelijk van de situatie waarin en op wat voor een manier deze normen worden aangewezen. Dit kan zijn in een:
- wet of in een besluit waarin door de wetgever het toepassen van de normen wordt geëist
- zakelijke overeenkomst waarin het toepassen van de normen wordt voorgeschreven
Er komen ook situaties voor dat de NEN 50110-1 / NEN 3140 niet via een wet, besluit of een zakelijke overeenkomst worden aangewezen, maar dat in plaats hiervan:
- het vermoeden bestaat dat bij het toepassen van de normen NEN 50110-1 / NEN 3140 wordt voldaan aan (in wetgeving) algemeen geformuleerde essentiële eisen
- (in wetgeving) wordt gesteld dat rekening moet worden gehouden met de erkende regels der techniek
Praktijkvoorbeelden waarin een periodieke inspectie van de elektrische installatie is vereist of wordt voorgeschreven zijn
- verzekeraars welke in hun polisvoorwaarden clausules opnemen waarin wordt voorgeschreven dat de elektrische installatie periodiek moet worden gecontroleerd conform NEN 50110-1 / NEN 3140. Met name in gebouwen-, bedrijfsschade-, en brandverzekeringen kunnen dit soort clausules zijn opgenomen. Gekort worden op het uit te keren bedrag of erger nog, helemaal geen uitkering ontvangen kan het gevolg zijn als bij het claimen van een schade blijkt dat er geen of een onjuiste periodieke inspectie is uitgevoerd
- gebruikersvergunningen welke worden afgegeven door overheidsinstanties. Het voldoen aan de, in de gebruikersvergunningen opgenomen, voorwaarden heeft als doel de kans op brand en de kans op ongevallen bij brand te verkleinen. Hierin kan worden verwezen naar de normen NEN-EN 50110-1 / NEN 3140 en daardoor is een periodieke inspectie ook in deze gevallen onvermijdelijk
- beleidregels welke verband houden met de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet). In de beleidregels staan namelijk omschreven hoe kan worden voldaan aan de besluitregels. De normen NEN 50110-1 / NEN 3140 worden in deze beleidregels genoemd. Alhoewel de beleidregels geen wettelijke status hebben is het opvolgen hiervan wel raadzaam omdat bij het juist toepassen van de beleidregels tenminste wordt voldaan aan wat er wordt gesteld in de besluitregels, welke wel een wettelijke status hebben
Omvang van de periodieke inspectie
Er moet in gedachten worden genomen dat een brandverzekeraar met het voorschrijven van een periodieke inspectie andere doelstellingen nastreeft dan een periodieke inspectie welke moet worden uitgevoerd in het kader van de arbeidsomstandighedenwet. Het zijn daarom de omstandigheden die mede bepalen waaruit een periodieke inspectie dient te bestaan en welke omvang deze dient te hebben.
In NEN-EN 50110-1 / NEN 3140 bepaling 5.3.3.101.4 staat precies omschreven wat er moet worden gecontroleerd. De daarbij behorende toelichtingen 5.3.3.101.4.1 en 5.3.3.101.4.2 geven een invulling daaraan. Het kan dan bijv. gaan om het controleren van:
- de circuit-, en net impedantie
- de juiste werking van veiligheidsketens
- de veilige scheiding tussen stroomketens
- de isolatieweerstand in elk gedeelte van de installatie
- het juist gebruik, gelet op de omgevingsomstandigheden
- de aanspreekstroom en afschakeltijd van aardlekbeveiligingen
- het niet onderbroken zijn van de beschermingsleidingen en hun aansluitingen
- elektrisch materieel of deze tenminste in overeenstemming is met de installatie eisen
- de goede werking van uitschakelcontacten van schakelende beveiligingstoestellen
Tijdens een periodieke inspectie van de elektrische installatie dient rekening te worden gehouden met de technische voorschriften en veiligheidsvoorschriften zoals deze golden ten tijde van aanleg van de elektrische installatie. Het gaat hierbij dan niet alleen om normen, maar ook bijvoorbeeld om wettelijke voorschriften en/of voorschriften en aanbevelingen van leveranciers. Echter, de mogelijkheid bestaat dat er wordt gekozen voor het toepassen van recentere technische voorschriften en veiligheidsvoorschriften. Dit kan op vrijwillige basis gebeuren maar eventueel ook worden verplicht door wetgeving of omdat partijen dit zijn overeengekomen in zakelijke overeenkomsten. Een voorbeeld van een situatie waarbij wetgeving bepaald welke norm moet worden toegepast is hieronder beschreven:
Welke eisen gelden voor een bestaand gebouw, regelt sinds 1 januari 2024 het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Artikel 3.106 bepaalt dat de elektriciteitsvoorziening van een bestaand gebouw voldoet aan NEN 1010, en de Omgevingsregeling wijst aan welke uitgave van de norm daarbij hoort. Een installatie van tientallen jaren oud wordt dus niet zomaar aan de eisen van de nieuwste uitgave getoetst.
De resultaten van een inspectie moeten worden vastgelegd in een rapportage. BVo Advies hanteert hierbij eigen standaard inspectierapporten.
BVo Advies is van mening dat een goed beheer van de elektrische installatie de veiligheid vergroot. Een periodieke inspectie behoeft zich niet alleen te beperken op het controleren of een elektrische installatie nog voldoet aan de technische voorschriften en veiligheidsvoorschriften. Ook het beoordelen van beheeractiviteiten kan van belang zijn. Dit speelt niet alleen een rol bij het bepalen van de inspectiefrequentie tussen twee opeenvolgende inspecties, maar ook voor het kunnen waarborgen van de veiligheid tot de volgende periodieke inspectie.
Periodiek tussen twee opeenvolgende inspecties
De tijdsinterval tussen twee opeenvolgende inspecties kan worden bepaald via een risicoanalyse. Het is echter ook mogelijk dat de tijdsinterval tussen twee opeenvolgende inspecties is vastgesteld en daarbij is vastgelegd in een zakelijke overeenkomst. Enkele voorbeelden:
1) Voor wat betreft de risicoanalyse geldt dat de tijdsinterval tussen twee oplopende inspecties afhankelijk is van het gebruik en de toestand van de installatie. Door gebruik te maken van de methode zoals beschreven in bijlage I tabel I1 van de NEN 3140 kan de tijdsinterval tussen twee oplopende inspecties komen te liggen op een tijd variërend van 1,5 tot 14 jaar.
2) Partijen kunnen zijn overeengekomen dat de elektrische installatie periodiek moet worden geïnspecteerd waarbij de tijdsinterval tussen twee opeenvolgende inspecties is vastgesteld en opgenomen in de voorwaarden of clausules. Als in de voorwaarden of clausules geen vastgestelde tijdsinterval is opgenomen, maar verwezen wordt naar de NEN-EN 50110-1 / NEN 3140 dan kan gebruik worden gemaakt van een risicoanalyse.
3) Een tijdsinterval tussen twee opeenvolgende inspecties kan ook worden vastgesteld door de fabrikanten van elektrisch materieel. In garantievoorwaarden, onderhoudsinstructies of richtlijnen, behorende tot het elektrisch materieel, kunnen hierover eisen zijn opgenomen. Het behoort evenwel tot de mogelijkheden dat een installateur van nieuwe installaties een inspectietermijn aangeeft.
Het zal duidelijk zijn dat de tijdsinterval, waarbij de tijd tussen twee oplopende inspecties het kortst is, moet worden gehanteerd. Belangrijk hierbij is dus dat degene die belast is met het bepalen van de tijd tussen twee opeenvolgende inspecties op de hoogte is van dit soort overeenkomsten en voorwaarden.
Overigens is het wel zo dat voor elk onderdeel van de installatie een afzonderlijk tijdsinterval mag worden vastgesteld.
Installatie verantwoordelijke
Volgens de NEN 50110-1 / NEN 3140 moeten in organisaties waar personeel wordt betrokken bij de bedrijfsvoering van de elektrische installatie, de elektrische installatie onder de verantwoordelijkheid van één persoon worden geplaatst. Dit is veelal de installatieverantwoordelijke. Artikel 3, lid 3 van de Arbeidsomstandighedenwet geeft namelijk aan dat de werkgever bevoegdheden en verantwoordelijkheden mag overdragen aan anderen, dus zo ook de directe verantwoordelijkheid voor de bedrijfsvoering van de elektrische installatie. Een installatieverantwoordelijke is een persoon welke in een organisatie is aangewezen als direct verantwoordelijk persoon voor de bedrijfsvoering van de elektrische installatie. Deze persoon dient kennis te bezitten van elektriciteit en de gevaren daarvan te kunnen onderkennen op een niveau dat tenminste voldoet aan niveau 4 volgens de Wet Educatie en Beroepsonderwijs (WEB).
In NEN 50110-1 / NEN 3140 bepaling 5.3.3.101.3 is omschreven dat de installatieverantwoordelijke de tijd tussen twee opeenvolgende inspecties moet bepalen. Eveneens moet de installatieverantwoordelijke bepalen wat en hoe er moet worden geïnspecteerd. Is er niemand aangewezen als installatieverantwoordelijke dan is de werkgever direct verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering van de elektrische installatie. De werkgever dient dan zorg te dragen voor het (laten) bepalen van de tijd tussen twee opeenvolgende inspecties en het (laten) bepalen wat en hoe er moet worden geïnspecteerd. Indien de werkgever zelf deze taken op zich neemt dan dient deze dus kennis van elektriciteit te bezitten en de gevaren daarvan te kunnen onderkennen op een niveau dat tenminste voldoet aan niveau 4 volgens de Wet Educatie en Beroepsonderwijs (WEB). Voldoet de werkgever niet aan deze criteria en in de organisatie is geen installatie verantwoordelijke aan te wijzen dan verdient het de voorkeur om een extern bureau in te schakelen die de eerder genoemde taken op zich kan nemen.
Thermografisch onderzoek
Hoewel een thermografisch onderzoek niet tot de NEN3140 inspectie behoort, wordt dit door sommige verzekeringsmaatschappijen toch bij bepaalde bedrijven geëist. Men wil hierbij vaststellen dat er geen onnodig brandgevaar ontstaat in de installatie of bij machines. Een thermografisch onderzoek wordt uitgevoerd met een speciale, camera, die warmtebeeldfoto’s vastlegt. Deze camera is in staat onzichtbare warmte om te zetten in een kleurenspectrum en deze dan op te slaan. De onderdelen die worden onderzocht zijn o.a.
- Verdeelinrichtingen
- Besturingskasten
- Transformatoren
- Motoren
- Aansluitingen van kabels en rails
Met een thermografisch onderzoek hoopt men vaak de volgende problemen te voorkomen:
- Slechte verbindingen van aansluitingen en contacten
- Overbelaste groepen, bedradingen, kabels, rails, motoren en transformatoren
- Slechte lagers en koeling van motoren Bovenstaande problemen kunnen al gauw brand tot gevolg hebben
Het verdient aanbeveling dit onderzoek regelmatig uit te voeren, omdat de situatie snel kan veranderen en het dan ook heel snel fout kan gaan.
Veelgestelde vragen over keuringen
Welke keuring vraagt mijn verzekeraar?
Is een keuring wettelijk verplicht?
Wat is het verschil tussen een norm en een SCIOS-scope?
Wat kost een keuring?
Een inspectie van uw installatie inplannen?
Neem contact op met BVo Advies. Wij vertellen u welke inspectie voor uw situatie verplicht of verstandig is en plannen die met u in.
Keuring aanvragen